Doop-, trouw-, en rouwdiensten zijn kerkelijke samenkomsten waar alle mensen wel eens mee in aanraking komen. Om bij de doopdienst te beginnen: het dopen van een kind is lang een vanzelfsprekendheid geweest. Voor de kerk is de doop ook altijd een belangrijk sacrament geweest en gebleven. God wil met het nieuwgeboren kind te maken hebben en het kind verkrijgt de doop als teken en zegel voor het leven. Er zijn rond die doop echter steeds weer andere tradities gegroeid, ook in Colmschate. De vroegere koster G. Brinkman was jarenlang actief met het registreren van de kinderen die gedoopt zouden worden. De doopouders kwamen bij hem aan de Sworminksweg om zich te laten inschrijven. Deze inschrijving vond lx per maand plaats. Later werd het registreren door de dominee zelf gedaan en wel op de pastorie. Er bleven vaste doopdiensten. Al sinds lange tijd krijgen de doopouders een doopkaartje mee ter herinnering aan de doop.

wieg

Tegenwoordig is er een mooi gebruik om kinderen van de kindernevendienst doopkaarsen aan te laten bieden aan de doopouders. De kaarsen worden ontstoken aan de paaskaars om symbolisch “het licht van Christus” door te geven. Er wordt altijd 11 dagen voor de doopdienst een doopgesprek gehouden met doopouders, ouderling van dienst en predikant.

Bij trouwdiesten in de kerk staat het vragen om Gods zegen over het huwelijk centraal. De handoplegging door de dominee heeft een centrale rol bij deze inzegening. De knielbank is bedoeld om je te verootmoedigen voor God. De huwelijksbijbel die door de kerk geschonken wordt is het belangrijkste richtsnoer voor de toekomst van het bruidspaar.

Het trouwen geschiedde echter niet altijd in de kerk. Mevrouw van Het trouwen geschiedde echter niet altijd in de kerk. Mevrouw van der Walle refereerde naar de tijd, dat haar man, Abraham van der Walle dominee was in Colmschate. In de tijd 1937-1947 geschiedde het vaak dat er op de boerderij getrouwd werd.

Het trouwen geschiedde tot in de jaren dertig in het zwart. Eind jaren dertig kwam het “in het wit” trouwen in zwang. Dat bij het trouwen de kerk er wel eens bekaaid afkwam moge blijken uit onderstaand verhaal van ds Papineau Salm in de kerkbode van december 1952.

 

“NASCHRIFT VAN DE PREDIKANT”

. . . Het is mij opgevallen dat de collecten van de trouwdiensten zo gering zijn. Van 12 trouwdiensten in de laatst jaren bedroeg de gemiddelde collecte ƒ 38,00 per keer. Nu lijkt dit misschien een aardig bedrag. En in bepaalde gevallen is het dat ook. Wanneer het gaat om families waar de middelen bescheiden zijn en vaar men op heel eenvoudige wijze bruiloft viert dan doet men wat men kan. Maar het komt ook voor dat een zeer uitgebreide bruiloft gevierd wordt, die, dat kan ieder weten, vele honderden guldens, misschien wel bij de duizend gulden kost. En dan zien wij soms dat de collecte in de kerk niet meer dan een paar tientjes bedraagt. Dan is er naar mijn menig iets niet in den haak. Dan wordt de kerk afgescheept met een fooi. Als men dan toch zulke grote bedragen uitgeeft voor drank en gebak dan spreekt het m. i. vanzelf dat de kerk een behoorlijke collecte krijgt. Dan zou het niets bijzonders zijn als bruid en bruidegom ieder f 25,00 en de wederzijdse ouders ieder ƒ 10,00 gaven. Dat betekent toch niet veel op het grote bedrag dat een bruiloft toch aan sommigen kost. Om misverstand te vermijden wijs ik erop dat ik dit schrijf Vrijdag 12 December, dus voor de drie trouwdiensten in de komende week. Het gaat hier over huwelijken. Een ander ding is dat het tegenwoordig nooit voorkomt dat men ter gelegenheid van bijzondere dagen, 25 of 40 jarig huwelijk b.v., de kerk gedenkt. Is het zo vreemd dat men dan, hetzij in de collecte, hetzij door overhandigen aan de predikant of een ander lid van de kerkeraad uiting geeft aan zijn dankbaarheid?
Ik meen er goed aan te doen dit te schrijven omdat ik ervan overtuigd ben dat het hier niet gaat om onwil maar om onnadenkendheid. Ik stel mij voor dat velen zullen zeggen: Ja, dat is toch eigenlijk waar, dom van ons dat wij er nooit zo bij hebben nagedacht.”

De rouwdienst is ondanks de sombere reden een indrukwekkend gebeuren. In deze dienst wordt het leven van de overledene nog een keer in het volle licht van Gods genade gezet en blijkt telkens weer hoe boeiend een mensenleven is. De rouwdiensten worden nog niet zo lang in de kerk gehouden. In de begintijd van dominee Polhuijs, eind jaren vijftig, was het nog gebruikelijk dat de rouwplechtigheid op de boerderij geschiedde. We spreken van een tijd waarin de kerkgemeente Colmschate uit buurtschappen bestond, waar Noaberplicht hoog in het vaandel stond. De mensen waren sterk op elkaar aangewezen en bij het overlijden zorgden de naaste buren voor de direct opvang van de weduwe/ weduwnaar.

Tot 1921 was het de gewoonte dat de “noabers” (=naaste buren) de totale uitvaart verzorgden. Per buurtschap was er een boerenwagen beschikbaar, waarop de kist werd vervoerd. De kar werd door twee paarden getrokken. De boer die deze paarden en de boerenkar onder zijn hoede had werd daarom “doodenvaar of doonboer” genoemd.

Sommige buurtschappen hadden samen één verantwoordelijke boer. Het was gebruikelijk dat zo’n man bij allerlei festiviteiten werd uitgenodigd. Het opbaren geschiedde thuis. De samenkomst van familieleden en bekenden geschiedde op de deel voor het afscheid nemen. De doden werden via de achterdeur uit huis gedragen. Bij een huwelijk was de betreffende persoon via de voordeur binnen gekomen.

Achter de kerk ligt de oude begraafplaats waar ook één van de dominees van onze gemeente begraven ligt. Het is de heer van der Flier. Een stukje verderop aan de Sworminksweg ligt de nieuwe begraafplaats. Hier ligt ds. Rogaar begraven. Ook liggen er twee domineeskinderen, Tonnie van der Walle en Jan Papineau Salm. Bij zijn afscheid uit Colmschate refereert ds. Papineau Salm hiernaar:

“We hadden ook nooit kunnen denken dat het afscheid zo moeilijk zou zijn omdat we hier zoveel achterlaten nu, onze Jan niet met ons meegaat, Colmschate is de plaats waar we hem hebben gekregen, waarhij gedoopt is, waar hij geleefd en gespeeld heeft, waar hij ook gestorven en begraven is. We weten dat hij voor velen Uwer veel heeft betekend en dat velen Uwer veel voor hem hebben betekend. Dat is een band die nooit zal verdwijnen.”

In de kerk vinden we nog een herinnering aan Jan Papineau Salm. De twee achthoekige tafeltjes en een vierkant tafeltje zijn gekocht van zijn spaargeld.

In 1921 werd de begrafenisvereniging “Colmschate en omstreken” opgericht. De reden hiervan was dat men de begrafenissen een meer passend karakter wilde geven. De vereniging heeft officiële dragers. In de beginjaren kon men volgens drie klassen begraven worden. Afhankelijk van het feit of men l, 2 of 3e klas begraven werd hadden de dragers witzilverkleurige, zilverkleurige, of zwarte matressen.

Net als nu droegen de dragers een zwart pak en een zwarte hoge hoed. Het vervoeren van de kist geschiedde tot 1950 met een zogenaamde lijkkoets, waarvan het onderhoud geschiedde door Stalhouderij Sonneberg in Deventer. De familie en bekenden liepen achter de koets aan.

In 1950 werd de koets vervangen door een auto. Na verloop van tijd werden er meer en meer rouwdiensten in de kerk gehouden. Ook het verenigingsgebouw van de Stichting voor Christelijke belangen is gebruikt voor rouwplechtigheden. Pas de laatste jaren is het gebruikelijk dat de rouwplechtigeid in de kerk geschiedt.