In het jaar waarin we 500 jaar Protestantisme gedenken zullen we de gevleugelde worden ‘Hier sta ik’ vaak horen. Woorden die aan Luther zijn toegeschreven, gevolgd door ‘ik kan niet anders’. Tijdens een verdedigingsrede in 1521 had hij aangegeven in geweten aan het Woord van God gebonden te zijn. Daarom kon hij niet tegen zijn geweten ingaan. ‘Zo helpe mij God.’ Anderen hebben dat al snel verdicht tot ‘Hier sta ik, ik kan niet anders. Zo helpe mij God.’ De columns van predikanten en kerkelijk werkers gaan dit jaar over ‘Hier sta ik’. Het kan een plaatsbepaling zijn, maar ook een heel andere vorm aannemen. Saar Hoogendijk maakt een begin.

Hier sta ik. Kan het ook anders? Leuk bedacht, zo’n jaarthema, maar ga er maar aan staan. Mijn gedachten vliegen alle kanten op. Je ziet mensen aan de grens bij Macedonië staan. Daar sta je dan in ijzige kou, en je kunt geen kant op. Er is geen keuze. Het gebeurt.
Even later bezoek ik iemand in het verpleeghuis; hij kan nauwelijks meer staan, nauwelijks nog spreken. Een noodlot dat je treft. Ook mensen in machteloze situaties vragen de aandacht. Als je zelf geen kant op kunt, mag je hopen dat anderen voor je gaan instaan, voor je opkomen. Ook al deed je het honderd keer liever zelf.
Maar ik dacht ook aan iets anders. Hoe lastig ik het vaak vind om een standpunt in te nemen. Er zitten meerdere kanten aan een zaak, ik heb de nuance en de relativering lief. De open blik, de open geest. Het plezier van kritische reflectie, ook al kan het ingewikkeld zijn. Meestal kun je je best nuances permitteren en ik zou wensen dat meer mensen de waarde ervan zouden inzien. Dat neemt niet weg dat er momenten zijn waarop je je plaats moet bepalen. Binnenkort in het stemhokje. En/of in kerk en theologie. Voor mij was een belangrijk moment het schrijven van mijn kerkelijke scriptie (in 1986). Ik studeerde aan de UvA, waar de bijbels-theologische Amsterdamse School opgeld deed. Al langere tijd had ik het idee dat het ergens niet klopte voor mij, gevoed vanuit de feministische theologie. In een proces van maanden kreeg ik het helder, ook op papier. Wat vond ik het spannend om
daar echt voor te gaan staan. Had ik het wel goed gezien? Toch ook de innerlijke overtuiging dat ik een punt had. Mijn verhaal vond weerklank, en dan lijkt alles ineens vanzelfsprekend. Maar dat was het niet voor mij, daar en toen. Zo zou ik nog een paar voorbeelden kunnen noemen, maar niet eindeloos. Zo’n held ben ik niet en wil ik niet zijn. De kaart van onze principes moeten we niet te makkelijk uitspelen wat mij betreft. Niet als dat betekent dat wij daarmee onwrikbaar worden. Liever het gesprek zoeken, de nuance. Dat is natuurlijk ook een principe, en niet de eerste de beste. Het evangelie leeft ervan, hoe Jezus altijd het gesprek zoekt. Dat zijn de spannendste verhalen, waarin mensen tot hun recht komen. Ergens voor gaan staan zal voor mij altijd daarmee te maken hebben. Hoop ik, denk ik. Zo helpe mij God…
Wat een puzzel, om een paar gedachten over ‘hier sta ik’ te formuleren, en al helemaal zonder in clichés te vervallen. Gelukkig staat geen mens daar alleen voor. We hebben nog een heel jaar om pratend en vierend, lerend en dienend te ontdekken waar wij (voor) staan, in deze spannende tijden