Zo’n 1250 jaar geleden stak Lebuinus de IJssel over als missionaris. Al 1250 jaar leeft sindsdien de kerk hier in Salland. Ze wist zich op vele plaatsen te handhaven door de eeuwen heen, kent donkere en lichte perioden in haar bestaan, maar is nog steeds springlevend. Nog steeds zijn er vele mensen die verspreid over diverse kerk- genootschappen inspiratie vinden in het christelijk geloof. In Deventer wordt de oversteek van Lebuinus in elk geval feestelijk omlijst, een jaar lang. En bij een feest horen liederen. Die heeft de kerk in overvloed tot haar beschikking. Ook het nieuwe Liedboek getuigt daarvan. Aan de voorgangers van de PKN gemeenten en enkele kerkelijk werkers in deze regio wordt dit jaar de vraag voorgelegd: In welk lied uit het Liedboek licht iets op, wat jou inspiratie geeft? Welk lied is voor jou een bron van licht?

Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen’

Een lied uit het Liedboek dat mij licht geeft is Lied 650, dat begint met de zin: De aarde is vervuld van goedertierenheid. Dat is niet precies de regel uit dit lied die mij aanspreekt, het is het tweede vers dat al jaren en jaren met me meegaat :
Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, zij gaat in alle nood door heel het leven heen.
Dit vers raakt me om verschillende redenen. Het is zeer verbonden met mijn eigen geloofs- en levensweg. De eerste keer dat ik het bewust las en las zong was in de Maranathakerk in Amsterdam, de wijkgemeente waarbij ik van mijn zestiende jaar tot ik predikant werd zeer actief was betrokken. Het lied was in de 50er jaren in die kerk ontstaan, geschreven door ds. Willem Barnard. Deze deed de inspiratie voor dit lied op in psalm 33. Frits Mehrtens zette het op muziek. Hij was in de Maranathakerk cantor-organist.

Het lied was daardoor in de gemeente erg bekend en geliefd. Ook als ik het zing zie ik Barnard en Mehrtens voor me. Van de eerste leerde ik de waarde van de in- deling van het kerkelijk jaar en de schoonheid van een goed verzorgde liturgie. Van Mehrtens het belang en de kracht van muziek voor de eredienst. Als klein kind genoot ik van de kleine belletjes die hij, slechts 1 keer per jaar, liet rinkelen op het Flentroporgel tijdens het kerstfeest.
Als ik het lied zing dan licht ook de gemeente van toen weer voor me op. Ik zie de gezichten van mensen, die veel voor me betekend hebben en hoor hen weer zingen. Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, dat zongen we in de tijd na Pasen. Want daarvoor had Barnard het geschreven. Maar we zongen het ook juist in minder lichte tijden, als er verdriet was in de gemeente. Een keer toen een van mijn leeftijdsgenoten, een jongen van begin 20, was gestorven. ‘Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, zij gaat in alle nood door heel het leven heen’ zongen we bij zijn afscheid. De dagen ervoor had ik erg geworsteld met die goedheid van God. Kan ik daar nu nog wel in geloven, vroeg ik me af. En is m’n hele theologiestudie niet een keuze die op drijfzand is gebouwd? Maar tijdens de afscheidsdienst, juist toen we vers 2 zongen, gebeurde er iets. Daar stonden we allemaal met tranen in de ogen en zongen tegen het donker in, tegen de klippen op, van Gods goedheid.


En ineens begreep ik wat Barnard bedoelde. Dat die veel te vroege dood niet de wil van God was, maar ook niet buiten God omging. Dat Gods goedheid ons niet loslaat, zelfs niet in de dood. En ook dat ik moest blijven wachten op die goedheid, al was het mijn leven lang. Dat ik vertrouwen moest blijven houden, want ‘de oogst ruist in de wind als psalmen in de nacht’ zoals Barnard dat in het laatste vers had verwoord. Ook al is het donker, je kunt dan toch al van het licht zingen, dat zeker komt, ook al zie je het nog niet. Zo kun je het uithouden in het donker. Goed om dat vast te houden, ook in de tijd vóór Pasen.


ds. Ingrid de Zwart, Protestantse gemeente Deventer