Het Pascha van de Joden was nabij. Jezus ging op naar Jeruzalem en vond in de tempel (zie stenen muurtje) de verkopers van runderen, schapen, duiven en wisselaars.

Hij maakte een zweep van touw, de judaspenning en de klimop symboliseren de zweep, en dreef allen uit de tempel. Hij wierp het wisselgeld op de grond (zie het wisselgeld bij de bloemschikking). Tot de duivenverkopers zei Hij: Neem dit alles hier vandaan, maak het Huis van mijn Vader niet tot een verkoophuis. De scherven tonen de ravage die achterbleef.