Deze vierde zondag van de veertigdagentijd ontmoeten we de farizeeër en de tollenaar. De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar vertelt over twee mensen, die beiden naar de tempel gaan om God te aanbidden.  De farizeeër dankt God vanwege zijn eigen grootheid en rechtvaardigheid. Hij laat zijn eigen ik nog beter uitkomen, door het af te zetten tegen dat van de tollenaar.

Wie zo van het eigen gelijk overtuigt is, heeft geen ruimte voor iemand anders (zie rechtopstaande orchidee). Die kan geen stap meer zetten. De tollenaar laat een andere kant zien (zie gebogen orchidee). Schuldbewust zoekt hij Gods aangezicht. Open voor verandering. Hij is het die stappen zet richting Gods rechtvaardigheid. Beiden zoeken het aangezicht van God. De één fier rechtop en de ander gebogen. Bij God keert alles om – wie gebogen is mag rechtop gaan.

Schoenen aan om met hem op weg te gaan die ons voorgaat naar de ander ons voorgaat naar leven

eigenwaan zet geen stap naar de ander wie zich buigt naar God komt in beweging

God zet ons op onze voeten.