Naast mijn bezigheden als diaconaal werker houd ik me ook nog onledig als docent godsdienst. Onlangs vroeg een leerling bij het begin van de les: “Meester, kunnen we het een keer hebben over hoe de aarde is ontstaan? Door God of door de oerknal?” Nog voor ik kon reageren, riep een andere leerling: “Daar hebben we het al een keer over gehad. Het is allebei, weet je nog? God én de oerknal. Want God heeft de oerknal gemaakt.”

Ik moet lachen om deze mooie oplossing. Kennelijk heb ik dit alternatief in een eerdere les aangereikt: God én de oerknal. Vele jaren geleden was zo’n symbiose ondenkbaar. De EO had ooit een serie “Adam of aap?”, waarin de kijker werd opgeroepen om te kiezen tussen schepping of evolutie. Tegenwoordig zijn de scherpe kantjes ervan af en polderen we die opties lekker bij elkaar.
Een andere leerling hoeft dan ook niet bezorgd te zijn: hij vroeg: “Kan je christelijk zijn en toch in de aapjes (hij bedoelde de evolutie) geloven?”.  

Het zijn prangende vragen waar mijn leerlingen mee zitten: Hoeveel vrienden heeft Jezus? Heeft Pasen iets met Jezus te maken? Waarom hebben “moslimmen” vaak hoofddoeken op? Hoeveel geloven bestaan er op de wereld (pfff, heb je even?). Kunnen mensen in verschillende geloven geloven? (ja hoor, dat heet multireligious belonging). Mag de dominee bier drinken?

Er is ruimte voor alle vragen. En niets is gek of fout. De godsdienstlessen voegen hiermee echt iets toe aan de leervakken. In het onderwijs staan de cognitieve vaardigheden centraal, het is enorm prestatiegericht.  Bij het tienminutengesprek met ouders gaat het alleen maar om de cijfers en de  citoscores. Maar of het kind emotioneel lekker in zijn vel zit is minstens zo belangrijk. De lessen godsdienst kunnen leerlingen helpen om betekenis te geven aan gebeurtenissen in hun eigen leven. Bijbelverhalen gaan over goed en kwaad, over vreugde en verdriet, over hoop en wanhoop. Ook de leerlingen kennen die gevoelens. De lessen zijn niet bedoeld om hen te bekeren. Het gaat erom dat ze oog voor godsdienst krijgen en respect voor andermans ideeën. Ze gaan spelenderwijs aan de slag met hun eigen zingeving. Met keuzes maken en verantwoordelijkheid dragen.

En ze leren er ook nog iets van. Bijvoorbeeld dat een dominee gewoon bier mag drinken. En een docent godsdienst ook.