Daar staan ze, als we de maaltijd van de Heer vieren: twee zilveren bekers. Wie van ons beseft, als je één van beide krijgt aangereikt, dat de ene beker drie eeuwen oud is en de andere honderdveertig jaar? Drie eeuwen; dat zijn zo’n twaalf generaties. Hoeveel mensen zullen uit deze bekers gedronken hebben? De avondmaalbekers verbinden ons met de ‘heiligen die ons zijn voorgegaan’ en, zo zullen we merken, met de gemeente van Diepenveen.

een raadselachtige beker

In 1721 vervaardigde de Deventer zilversmid Lambertus Krop de oudste beker. Denk je in: dat was zes jaar voordat Bach zijn Mattheüs Passion schreef. Op de ene kant staat een gekroonde adelaar met daar omheen een banderol met het opschrift “super alas aquilaru portavi te” (op adelaarsvleugels heb ik u gedragen; een tekst uit Exodus 19: 4). De gekroonde adelaar is het stadswapen van Deventer (niet voor niets heet de voetbalclub Go Ahead Eagles en heet het stadion de Adelaarshorst). In de zeventiende en achttiende eeuw voerde de stad Deventer de tekst op de banderol als wapenspreuk. De adelaar met de tekst duiden dus op de stad Deventer. Draai je de beker om, dan wacht je een verrassing. Op de andere zijde is het kerkje van Diepenveen afgebeeld. Wat doet het Diepenveense kerkje op onze beker? Even raadselachtig is het laatste deel van de Latijnse tekst onder de rand van de beker. In vertaling luidt deze tekst: “In eeuwige herinnering en trouw aan het lijden van de enige Redder Jezus Christus; in zijn eigen bloed vind ik troost ­ Gemeente van Colmschate, 11 februari 1721; waarvan getuige is Theodorus Wichman van dezelfde kerk”. Merkwaardig, want in de achttiende eeuw bestond onze gemeente nog niet. Die is pas meer dan een eeuw later, in 1843, gesticht.

terug in de tijd

Waarom dan toch ‘Gemeente van Colmschate’ op een beker met de kerk van Diepenveen? Dat zit zo. Rond de stad Deventer lag het Schoutambt Colmschate. Een schoutambt was een lokale bestuurseenheid. Het schoutambt Colmschate behoorde toe aan de stad Deventer. Filips II (de koning van Hispanje uit het Wilhelmus) had het ambt in 1576 als onderpand aan Deventer gegeven in ruil voor financiële steun voor zijn strijd in de Nederlanden. De lening werd nooit terugbetaald; Deventer hield tot in de negentiende eeuw zeggenschap over het schoutambt. De kerkelijke gemeente van het schoutambt Colmschate heette de Gemeente van Colmschate. Het enige kerkgebouw was de kapel van het vrouwenklooster te Diepenveen. In 1578 was het klooster tijdens het beleg van Deventer geplunderd. Daarna kwam het in bezit van de stad Deventer. Twintig jaar later liet de magistraat van Deventer het klooster ­ behalve de kapel ­ slopen uit angst dat Spaanse soldaten zich daar zouden vestigen. De kapel werd niet of nauwelijks onderhouden. Dankzij een legaat van hoogleraar en burgemeester Matthaeus kon de kapel in 1720 gerenoveerd worden. Waarschijnlijk is naar aanleiding van de ingebruikname van de gerestaureerde kerk de beker vervaardigd. Want de datum die erop staat, 11 februari 1721, is kort na het jaar van restauratie. Heeft de beker op die datum, een zaterdag, misschien voor het eerst dienstgedaan bij de viering van het avondmaal? Of duidt de datum op een andere gelegenheid? We weten het niet. Zeker is dat in die tijd de op de beker genoemde dominee Theodorus Wichman predikant van de Gemeente van (het schoutambt) Colmschate was. Wie de schenker(s) was of waren blijft onbekend. Was het het Deventer stadsbestuur? Daar zou het stadswapen op kunnen duiden. Was het de weduwe van burgemeester Matthaeus? Of was het een van de andere Deventer magistraten of welgestelde ingezetenen? Hoe dan ook; de beker aan de Gemeente van Colmschate was een Deventer geschenk. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord hoe deze Diepenveense beker in onze Ichtuskerk verzeild raakte. Daarover schrijf ik in de volgende Kerkklanken.