Lied en Licht

Zo’n 1250 jaar geleden stak Lebuinus de IJssel over als missionaris.Al 1250 jaar leeft sindsdien de kerk hier in Salland. Ze wist zich op vele plaatsen te handhaven door de eeuwen heen, kent donkere en lichte perioden in haar bestaan, maar is nog steeds springlevend. Nog steeds zijn er vele mensen die verspreid over diverse kerkgenootschappen inspiratie vinden in het christelijk geloof. In Deventer wordt de oversteek van Lebuinus in elk geval feestelijk omlijst, een jaar lang. En bij een feest horen liederen. Die heeft de kerk in overvloed tot haar beschikking. Ook het nieuwe Liedboek getuigt daarvan.Aan de voorgangers van de PKN gemeenten en enkele kerkelijk werkers in deze regio wordt dit jaar de vraag voorgelegd: In welk lied uit het Liedboek licht iets op, wat jou inspiratie geeft? Welk lied is voor jou een bron van licht?

Uit de vele liederen die naar boven kwamen als antwoord op bovenstaande vraag kies ik voor het lied dat door Marijke de Bruijne is geschreven en voor het eerst gepubliceerd werd in de bundel Eva’s Lied . Het is een pinksterlied (Lied 691). Het lied spreekt me aan door de balans tussen zachtheid en kwetsbaarheid aan de ene kant en kracht en beweging aan de andere kant. Het eerste vers refereert aan het ‘In den beginne’, waar de geest zweeft over de wateren. De geest, de adem, die ons, de mens, ingeblazen wordt, die ons leven doet. Die geest waait als een wind. Een wind gedragen op vleugels van de vrede, maar ook een wind die onrust brengt, als een storm. Kwetsbaar, maar vol durf om geweld en kwaad tegen te gaan. Met direct daar achteraan een koele, verfrissende, bries die zuivert. Het is een geest die mensen in beweging zet om op te staan tegen het onrecht. In het tweede vers horen we van de geest als een vuur, fel, verterend, maar ook een gloed vol mededogen. Een vonk van hoop in de nacht, zoals het leven soms een nacht kan zijn: met pijn, verdriet en teleurstelling. Zonder die hoop valt niet te leven.Aan het eind is daar een wenkend licht dat op ons wacht. De warmte in het hart en de ogen van iemand die ons nabij wil zijn.

In het derde vers hoor ik het gedicht van Henriette Roland Holst
De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind ­ dit hoor ik als een innig fluistren in mij: zo ’t zweeg zou alle licht verduistren alle warmte zou verstarren van binnen. De machten die de liefde nog omkluist’ren zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, dan kan de grote zaligheid beginnen die w’als onze harten aandachtig luist”ren .In alle tederheden ruisen horen als in kleine schelpen de grote zee. Liefde is de zin van ’t leven der planeten, en mense’ en diere’. Er is niets wat kan storen ’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Dit gedicht is geschreven in 1918, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Een pleidooi voor de zachte krachten die zullen winnen in tegenstelling tot al het geweld van wapens. Kwetsbaar, maar weerbaar. Zoals ook de Geest van God ons met zachte krachten in beweging zet, ons hoedt en beschermt. Ons niet machteloos maakt, maar een bron van goede machten is. Die ons moed geeft om ondanks al het kwade dat we zien en ervaren door te gaan. Die mensen elkaar ondanks alle verschillen en vervreemding doet verstaan. Ons omgeeft als een mantel tegen de kilte die het leven soms met zich mee brengt. Voor mij is het een lied dat inspireert, moed geeft, de hoop wakker houdt dwars tegen al het donker en cynisme in.

Trijnie Plattje predikant Colmschate­Schalkhaar