Over Pasen, hamsters en de tuinman ‘Hoe kan dat nou?’

In de week voor Pasen mocht ik op de basisschool in ons dorp het Paasverhaal vertellen. Niet één keer, maar wel vier, vijf keer. Steeds in verschillende klassen, te beginnen met de kleuters en als laatste de hoogste klassen. Ik vond dat ontzettend leuk om te doen. Maar ook wel spannend. Want het Paasverhaal is helemaal geen gemakkelijk verhaal. En dat moet je het ook nog voor heel verschillende leeftijdsgroepen vertellen. Hoe moet je bijvoorbeeld kleuters vertellen over de Heer die is opgestaan uit de dood, als ze het hele concept van de dood nog maar amper kunnen snappen. En het verhaal van Goede Vrijdag, de kruisiging van Jezus…’ja, en toen hebben ze Jezus spijkers door zijn handen geslagen’…. Die arme kinderen zouden brullend naar huis zijn gegaan. Terwijl de oudste klassen…die kennen het verhaal wel. Denk ik toch. Hoe moet je die het verhaal vertellen dat het toch weer boeit, spannend is, maar ook iets kan laten zien van waar het in het Paasverhaal om gaat. Kortom, een hele opgave. Maar wel leuk.

Ik begon bij de kleuters. Twee groepen, 1 en 2. In een kring. Ik vroeg of ze wisten wie Jezus was. Ja, dat wisten ze. Toen vertelde ik dat Jezus was doodgegaan. Meteen gingen er vingers omhoog. Ik wees naar een jongetje. ‘Ja?’. ‘Nou, mijn hamster was ook doodgegaan. En toen hebben we hem ondergegraafd’. ‘Okay. Dan was je zeker wel verdrietig?’. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, want toen gingen we een andere hamster kopen’. Ik vertelde het verhaal met behulp van de platen uit de Kijkbijbel. Die zijn mooi, eenvoudig, niet eng, maar wel veelzeggend. Ze luisterden ademloos. En toen het verhaal uit was ging het nog weer over huisdieren die waren doodgegaan. Ik vertelde dat wij een klein hondje hadden dat al heel oud was en toen ook dood ging en dat we die toen in de tuin hebben begraven. En dat we er toen een perenboom op geplant hebben. En dat elke keer dat die boom bloeit, dat we dan denken aan onze hond. Dat konden ze zich wel voorstellen. En zo ging ik de klassen rond en vertelde -telkens net even anders- het verhaal van Pasen. In de hoogste klas waren de vragen pittiger. Eén meisje vroeg: ‘Hoe kan dat nou’, zei ze. ‘Hoe kan iemand die dood is nou weer levend worden’. Ja, ga d’r maar aan staan. D’r waren twee antwoorden die ik niet wilde geven. Het ene was: Dat is een wonder. We weten niet hoe het kan maar God heeft het gedaan en het is een wonder. Het andere was: Je hebt gelijk, dat kan ook helemaal niet. Ze hebben het verzonnen. Terwijl die twee antwoorden wel zo’n beetje de gebruikelijke antwoorden zijn in de discussie die al eeuwenlang woedt, het hele dispuut tussen wetenschap en geloof, waarbij de wetenschap zegt: ‘Het kan niet’, en het geloof zegt: ‘En toch is het zo. Want het is een wonder’.

Maar wat dan wel? Welk antwoord kun je geven op die vraag ‘Hoe kan iemand die dood is nou weer levend worden’? Eigenlijk denk ik dat het enige wat je kunt doen hetzelfde is als wat Johannes doet. De evangelist houdt geen theologisch of wetenschappelijk betoog, nee, hij vertelt een verhaal.

Dus: hoe kan het dat iemand die dood was weer levend wordt? Ik weet het niet. Ik weet alleen wat Maria ons vertelt. Over hoe ze ’s morgens vroeg, terwijl het nog nacht was, op weg gaat naar het graf van Jezus. Omdat ze niet los kon komen van die man. Zo is het toch. Als iemand sterft van wie je zielsveel houdt, die de zon van je bestaan is, dan is die niet ineens weg. Dan zit ‘ie nog in je hoofd, in je hart, in je vezels. Je kunt het niet loslaten. En zo gaat Maria van Magdala naar het graf. Omdat ze het niet los kan laten. Omdat ze hem niet los kan laten. De verteller schetst hoe groot de verbijstering is als ze bij het graf aankomt en het graf is open, en Jezus, haar Jezus is weg. En ze trekt de enige logische conclusie: ze hebben hem zelfs in de dood geen rust gegund. Ze zijn gekomen en hebben zijn lichaam weggeroofd.
Ze zakt op de grond terwijl de tranen over haar gezicht stromen. Een toevallige passant, de tuinman denkt ze, misschien dat die weet….‘Vergeef me, maar weet u misschien waar ze de dode naar toe hebben gebracht?’.

En dan noemt hij haar bij haar naam. ‘Maria’. En dat is het cruciale punt van het verhaal. Dit is het moment waarop alles verandert. Hier beseft Maria dat Jezus niet dood is, maar dat hij leeft. Of: dat het met zijn dood niet is afgelopen. Het leven van deze mens, de manier waarop hij hen tot leven heeft gebracht, dat kan niet afgelopen zijn met die afschuwelijke dood. Hij leeft voort. Als ze zijn voorbeeld maar volgen. Als ze zijn verhaal maar verder vertellen. Als ze maar opstaan, opstaan uit hun eigen doodsheid, en weer voluit leven.
En dan breekt de morgen aan. Maria staat op. Ze staat op uit de doodsheid. Komt weer aan het licht. Ze gaat haastig naar de leerlingen toe. En op haar lippen krijgt het allereerste Paasevangelie zijn vorm. Stamelend, met horten en stoten, maar niet minder overtuigend: ‘De Heer is opgestaan. Wat zitten jullie hier nog? Vooruit, opstaan.’
Is het een antwoord op de vraag van het meisje? Ik weet het niet. Maar het is -denk ik- wel een verhaal dat aanspreekt en aanspoort. Om zelf op te staan en op weg te gaan. Een verhaal waar ik in ieder geval mee verder kan.

ds.Henk Spit predikant prot.gem.Diepenveen